Page content

Bitumen, kunststof en rubber dakbedekkingsconstructies, algemene ontwerprichtlijnen

Ontwerprichtlijnen dakbedekkingsconstructies: Het uitgangspunt voor een goede dakbedekkingsconstructie is dat de ontworpen onderconstructie primair voldoet aan de voorgeschreven eisen inzake sterkte, stijfheid en stabiliteit overeenkomstig NEN-EN 1990 en Nationale Bijlage.

Bovendien geldt voor platte daken dat voldoende afschot in het dakvlak aanwezig moet zijn in de richting van de hemelwaterafvoeren, zodanig dat plasvorming wordt voorkomen. Als keuringscriterium geldt dat een hoeveelheid water op het dak (direct na regen) van maximaal 5% van het dakoppervlak toelaatbaar is, mits deze hoeveelheid verdeeld is over meerdere plassen. De diepte van de plassen mag daarbij maximaal 5 mm zijn.

Lichte dakconstructies van platte daken (bijvoorbeeld met geprofileerde stalen dakplaten) zijn gevoelig voor overbelasting door sneeuw en water en moeten door een constructeur worden beoordeeld op constructieve veiligheid en specifiek op het risico van wateraccumulatie. Na reiniging van het dakoppervlak zal in de meeste gevallen een  ampremmende laag of noodlaag met een isolatielaag worden aangebracht als een ondergrond voor het dakbedekkingssysteem. De detaillering van het dak en de dakbedekking moet worden uitgevoerd conform de geharmoniseerde VB (VEBIDAK-BDA) details of volgens de in een KOMO®-attest-met-productcertificaat gegeven aanwijzingen.

Dakbedekkingsconstructies moeten brandveilig worden ontworpen, gedetailleerd en uitgevoerd conform NEN 6050 – Ontwerpvoorwaarden voor brandveilig werken aan daken – Gesloten dakbedekkingssystemen en SBR-publicatie Brandveilig ontwerpen en uitvoeren van platte daken. Bij renovatie van dakbedekkingsconstructies met gesloten dakbedekkingssystemen moet naast de bepaling van de conditie en kwaliteit van de thermische isolatie en het dakbedekkingssysteem tevens een constructieve beoordeling door de opdrachtgever (constructeur) plaatsvinden.

  1. Levensduur
  2. Vliegvuurbestendigheid
  3. Belastingen
    1. Gebruiksbelasting
    2. Begaanbaarheidsklasse
    3. Weerstand tegen uitzakken
  4. Eisen onderconstructie
  5. Dampremmende lagen
    1. Bitumen
    2. PE-folie
    3. Bestaande dakbedekking
  6. Isolatiematerialen
    1. Coderingssysteem
    2. Kwaliteitseisen
    3. Algemene richtlijnen ontwerp
    4. Algemene richtlijnen uitvoering
    5. Bevestigingsmethoden

Levensduur

De levensduur van een dakbedekkingsconstructie is afhankelijk van:
a. het ontwerp;
b. de uitvoering;
c. periodiek onderhoud;
d. afschot;
e. de onderconstructie;
f. gebruiksbelastingen;
g. klimaatsinvloeden;
h. het dakbedekkingssysteem.

 

Vliegvuurbestendigheid

Een dak van een gebouw met een gebruiksfunctie mag bepaald volgens NEN 6063 niet brandgevaarlijk zijn. Conform NEN 6063 worden daken met een ballastlaag van grind met een laagdikte van ten minste tweemaal de nominale korrelmiddellijn met een minimum van 40 mm, geacht niet brandgevaarlijk te zijn, met dien verstande dat delen van het dak zonder een ballastlaag, zoals dakranden en dakopstanden, eveneens niet brandgevaarlijk zijn.

Windbelasting

01. De bepaling van de windbelasting op daken moet geschieden overeenkomstig Eurocode I: Belastingen op constructies – Deel 1-4: Algemene belastingen – Windbelasting NEN-EN 1991-1-4+NB. In NEN 6707 en NPR 6708 worden eisen c.q. nadere richtlijnen en voorwaarden
gegeven.

02. De ballastlaag bij losliggend geballaste dakbedekkingssystemen moet bepaald zijn volgens NEN 6707 en NPR 6708. De ballastlaag kan worden toegepast tot 3° dakhelling.

03. Voor gekleefde (partieel of volledig) dakbedekkingssystemen, zoals in de Vakrichtlijn omschreven, geldt dat de weerstand tegen windbelasting in belangrijke mate wordt bepaald door de ondergronden waarop deze systemen worden aangebracht. Bij gekleefde dakbedekkingssystemen op bestaande dakbedekkingssystemen of op isolatiematerialen moet kimfixatie bij de dakranden worden toegepast. Bij volledig gekleefde systemen op steenachtige onderconstructies is deze kimfixatie niet vereist. Deze gegevens kunnen veelal worden ontleend aan een KOMO®-attest-met-productcertificaat.

04. Mechanisch bevestigde dakbedekkingssystemen moeten worden ontworpen en uitgevoerd conform NEN 6707 en NPR 6708. Bij mechanisch bevestigde dakbedekkingssystemen moet bij dakranden altijd in de kim met een rij bevestigingsmiddelen, h.o.h.-afstand 250 mm, worden begonnen (rekenwaarde ≥ 400 N per bevestiger). Het aanbevolen minimum aantal bevestigingsmiddelen bij tweelaagse systemen is 4 per m2.

05. De rekenwaarde voor de bevestiging van losliggende dakbedekkingsconstructies, geballast met een vegetatiesysteem, moet worden bepaald volgens NEN 6707 en moet groter zijn dan de windbelasting volgens NEN-EN 1991-1-4+NB waarbij de begroeiing buiten beschouwing moet worden gelaten. De meeste losliggende vegetatiedaken voldoen niet aantoonbaar aan het Bouwbesluit (NEN 6707) maar waaien er toch niet af. NEN 6707 en NPR 6708 houden – behalve voor pannendaken en voor met grind of tegels geballaste daken – geen rekening met drukvereffening. Deze drukvereffening speelt vanwege de open structuur van een vegetatiesysteem waarschijnlijk wel een grote rol. In de berekening van de
weerstand tegen windbelasting van een losliggende dakbedekking, geballast met een vegetatiesysteem, moet een drukvereffeningsfactor worden aangehouden van 1,0 tenzij met wetenschappelijk onderbouwd onderzoek kan worden aangetoond dat voor deze factor een lagere waarde mag worden aangehouden. Bij vegetatiedaken moet zo nodig vormvaste ballast worden toegepast in hoeken en langs dakranden conform NPR 6708.

Gebruiksbelasting

01. Een dakbedekkingsconstructie moet zodanig zijn samengesteld, dat de waterdichtheid van het dakbedekkingssysteem gehandhaafd blijft bij normale gebruiksbelastingen.

02. Bij hoge belastingen (dakterrassen, parkeerdaken, daktuinen e.d.) is het noodzakelijk om naast de aspecten genoemd onder 6.4.3 ook drukverdelende voorzieningen in de dakbedekkingsconstructie op te nemen (bijvoorbeeld omgekeerd-dakconstructie of vormvaste afwerklaag).

03. In geval van een daktegelafwerking dient onder de betontegels een vrije spoelruimte van ten minste 15 mm aanwezig te zijn.

Begaanbaarheidsklasse

De kans op een mechanische schade ten gevolge van een belasting is afhankelijk van de dakopbouw, toegankelijkheid van het dak, dakvorm, dakfunctie en locatie van het dak. Het dak wordt ingedeeld in een van de volgende vier mogelijke begaanbaarheidsklassen:

Klasse R1

Daken anders dan met speciale middelen niet begaanbaar.

Klasse R2

Daken of gedeelten van daken, beperkt begaanbaar voor voetgangers, uitsluitend voor onderhoudswerkzaamheden: géén installaties op het dak, die frequent onderhoudsverkeer vergen. Het eventueel toe te passen isolatiemateriaal moet minimaal voldoen aan begaanbaarheidsklasse B volgens BRL 1309.

Klasse R3

Daken of gedeelten van daken begaanbaar voor voetgangers en geschikt voor frequent onderhoud aan het dak en aan de installaties op het dak (tot hellingshoeken van 5%). Het eventueel toe te passen isolatiemateriaal moet minimaal voldoen aan de begaanbaarheidsklasse C volgens BRL 1309.

Klasse R4

Daken of gedeelten van daken waarvan het dakbedekkingssysteem begaanbaar is voor voertuigen mits een bescherming (met bijvoorbeeld tegels) wordt toegepast (tot hellingshoeken van 5%). Aan de hand hiervan gelden al dan niet beperkingen ten aanzien van het gebruik en dienen eventueel beschermende maatregelen getroffen te worden. Het eventueel toe te passen isolatiemateriaal moet voldoen aan de begaanbaarheidsklasse D volgens BRL 1309. Ook begroeide platte daken (hellingshoek ≤ 5%) vallen onder deze klasse.

Weerstand tegen uitzakken

Op hellende daken moeten gekleefde toplagen van dakbedekkingssystemen boven 16° dakhelling aanvullend worden bevestigd tegen uitzakken conform onderstaande aanwijzingen.

ontwerprichtlijnen dakbedekkingsconstructies Weerstand tegen uitzakken

Eisen onderconstructie / bestaande dakbedekkingssystemen

01. De onderconstructie waarop een dakbedekkingsconstructie wordt aangebracht moet vlak, gaaf, droog en schoon zijn.

  • Onder “vlak” wordt verstaan dat de hoedanigheid van het oppervlak van de onderconstructie, afhankelijk van de toe te passen materialen, zodanig is dat deze gelijkmatig ondersteund worden en verticale bewegingen in deze materialen zijn uitgesloten.
  • Onder ‘gaaf’ wordt verstaan dat het oppervlak van de onderconstructie, afhankelijk van de toe te passen materialen een hoedanigheid heeft dat deze materialen niet door de onderconstructie kunnen worden beschadigd.
  • Onder ‘droog’ wordt (bij gekleefde systemen) verstaan dat het oppervlak van de onderconstructie geen groter vochtgehalte heeft dan maximaal toelaatbaar om een blijvende hechting tot stand te brengen met de daarop toe te passen materialen.
  • Onder ‘schoon’ wordt verstaan dat het oppervlak van de onderconstructie vrij is van puin, materiaalresten, vuil, zand, stof e.d.

02. Op de onderconstructie mogen geen leidingen worden aangebracht. Wanneer in een afschotlaag leidingen zijn opgenomen kan geen mechanisch bevestigd dakbedekkingssysteem worden toegepast.

03. Teermastiek, als dakbedekkingsmateriaal toegepast tot eind jaren zeventig, bevat PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en mag sinds 2001 niet meer worden hergebruikt. Teermastiek wordt aangemerkt als gevaarlijk afval. In verband met de wettelijke scheidingsplicht voor teerhoudende dakbedekking bij sloop van het dak moet in principe bij een dakrenovatie de oude teermastiek worden verwijderd. In geval van handhaving dient de nieuwe dakbedekkingsconstructie gescheiden van de bestaande te worden aangebracht.

Dampremmende lagen of sluitlagen

Algemeen

01. Het functioneren van een dampremmende laag of sluitlaag wordt in belangrijke mate bepaald door de luchtstromingsdichtheid van de aansluitingen en de overlappen. Dit betekent dat een dampremmende laag of sluitlaag van bitumen dakbanen de voorkeur heeft t.o.v. een dampremmende laag of sluitlaag van PE-folie.

02. Op steenachtige onderconstructies met een afschotlaag (zandcement, schuimbeton of dergelijke) altijd een dampremmende laag of sluitlaag ontwerpen.

03. Bij PIR, PUR, MWR, EPS, EPB en XS-isolatieplaten altijd een dampremmende laag of sluitlaag ontwerpen.

Bitumen

01. Op de onderconstructie een bitumen dampremmende laag of sluitlaag aanbrengen. Deze laag luchtstromingsdicht aansluiten tegen de randen, opstanden en onderbrekingen. Bij al die beëindigingen de laag afzetten met (zelfklevende) bitumen randstroken zonder gebruik van open vuur, van een zodanige breedte dat de randstrook circa 50 mm boven de isolatie uitsteekt.

02. Op kiergevoelige, houten, houtachtige en geprofileerd stalen onderconstructies de dampremmende laag of sluitlaag inclusief alle aansluitingen zonder het gebruik van open vuur aanbrengen. De aansluiting van de dampremmende laag bij dakranden, dakopstanden, dakdoorbrekingen en gevels (opgaand werk) brandveilig ontwerpenen uitvoeren conform de aanwijzingen bij de dakdetails in deel C en deel E.

03. Op geprofileerde stalen dakplaten de laag aanbrengen in de lengterichting van de profilering. De langsoverlappen van de dampremmende laag of sluitlaag moeten dragend zijn opgelegd.

04. De dampremmende laag of sluitlaag op de onderconstructie bevestigen afhankelijk van het type onderconstructie met bitumen 110/30, met koude bitumen kleefstof , met een zelfklevende laag of indirect mechanisch bevestigen met de isolatie of het dakbedekkingssysteem. Bij losliggende dakbedekkingssystemen mag de dampremmende laag of sluitlaag los worden gelegd. Afhankelijk van de brandbaarheid van de onderconstructie alsmede afwezigheid van naden en kieren mag de laag ook worden aangebracht volgens de brandmethode.

05. Alle overlappen kleven met bitumen 110/30, koude bitumen kleefstof, branden (met inachtname van 6.6.2.-02) of thermisch lassen.

06. De aansluiting bij dakopstanden, dakranden en gevels (opgaand werk) uitvoeren volgens navolgend principe.

ontwerprichtlijnen dakbedekkingsconstructies bitumen

Werkwijze:
a. Een bitumen randstrook luchtstromingsdicht zonder het gebruik van open vuur aanbrengen circa 50 mm boven het niveau van de aan te brengen thermische isolatie tot minimaal 100 mm door de kim.
b. De bitumen laag aanbrengen tot in de kim van de dakrand of dakopstand.

Opmerking:
Het doorplakken van een dampremmende laag is toegestaan mits:

  • de kimmen volledig aansluiten;
  • geen open aansluitnaden ontstaan;
  • de onderconstructie is voorgesmeerd met een bitumenoplossing.

PE-folie

01. Op de onderconstructie een laag PE-folie (met CE-markering) aanbrengen en in het kader van luchtstromingsdichte aansluitingen bij randen, opstanden, onderbrekingen en overlappingen met afdichtingsband aanbrengen.

02. Om weerstand tegen mechanische beschadigingen te kunnen bieden dient de dikte minimaal 0,2 mm (± 10%) te zijn.

03. Indien de eerste randstrook van het dakbedekkingssysteem wordt aangebracht met hete lucht beschermende maatregelen treffen tegen smelten van het PE.

Bestaande dakbedekking als dampremmende laag of sluitlaag in geval van een thermische renovatie van het dak

01. Een bestaande dakbedekking kan na bepaling en goedkeuring van de totale dakbedekkingsconstructie als dampremmende laag of sluitlaag functioneren. Dit geldt niet voor door weekmakerverlies verouderde PVC-dakbedekkingssystemen.

02. Ter plaatse van gebreken reparaties uitvoeren zodanig dat de bestaande dakbedekking als voldoende luchtdicht kan worden beschouwd.

Isolatiematerialen

Coderingssysteem

ontwerprichtlijnen dakbedekkingsconstructies Coderingssysteem

Dus:
14 PIR 44 = tweezijdig met gebitumineerd glasvlies gecacheerd polyisocyanuraatschuim.
44 EPS 30 = eenzijdig met gebitumineerd glasvlies gecacheerd polystyreenschuim (niet geschikt voor brandmethode).
13 MWR 10 = eenzijdig met naakt glasvlies gecacheerde steenwol.
14 PUR-MWR 40 = combinatieplaat van met gebitumineerd glasvlies gecacheerd hard polyurethaanschuim (bovenzijde) en steenwol (onderzijde).

Kwaliteitseisen

Voor isolatiematerialen gelden de volgende kwaliteitseisen:
BRL 1306 Platen en vormstukken van geëxpandeerd polystyreen (EPS) voor thermische isolatie
BRL 1308 Platen en dekens van minerale wol voor thermische isolatie
BRL 1309 Thermische isolatie voor platte of hellende daken op een onderconstructie in combinatie met een gesloten dakbedekkingssysteem

Algemene richtlijnen, ontwerp

01. In het isolatiemateriaal mogen geen leidingen worden uitgekroosd. Deze dienen in of onder de onderconstructie te worden aangebracht.

02. Bij voorkeur isolatiematerialen zonder sponningen toepassen.

03. Bij toepassing van afschotisolatie dient ter controle op inwendige condensatie de berekening te worden uitgevoerd ter plaatse van het dunst aangebrachte isolatiemateriaal. De warmteweerstand ter plaatse van dit onderdeel moet minimaal Rc = 1,5 m2.K.W-1 bedragen en er mag op deze plaats in de berekening geen oppervlaktecondensatie optreden. De warmteweerstand wordt bepaald volgens de berekeningsmethodiek zoals vastgelegd in NEN 1068 / NPR 2068 (ref. 6 en 7).

04. In losliggende dakbedekkingsconstructies mogen de isolatieplaten los worden gelegd. Wel dient rekening te worden gehouden met hulpbevestigers om te kunnen voldoen aan de specificaties van de fabrikant / leverancier.

05. Relatie isolatiedikte / dalbreedte geprofileerde stalen dakplaten. De dikte van het isolatiemateriaal voor dikten tot 100 mm is afhankelijk van de bovendalbreedte van de geprofileerde staalplaat. Bij ongecacheerde en eenzijdig gecacheerde isolatiematerialen moet de minimale dikte
van het isolatiemateriaal ½ x de bovendalbreedte van de geprofileerde staalplaat bedragen. Bij tweezijdig gecacheerde isolatiematerialen is dit ⅓ van de bovendalbreedte.

06. De bevestigingspatronen van direct mechanisch bevestigd isolatiemateriaal dienen te worden vastgesteld overeenkomstig de methode vermeld in SBR-publicatie nummer 239 “Dakisolatie op geprofileerde staalplaat: Richtlijnen voor de berekening van mechanische bevestiging”. (ref. 4).

07. Bij bevestiging van indirect bevestigde isolatieplaten dient rekening gehouden te worden met eventuele hulpbevestigers (patroon per isolatieplaat) om te kunnen voldoen aan de specificatie van de fabrikant/ leverancier.

Algemene richtlijnen, uitvoering

01. Alle isolatiemateriaal droog opslaan en verwerken terwijl bovendien zodanige maatregelen moeten worden getroffen, dat tijdens en na applicatie vochtinsluiting is uitgesloten. Isolatieplaten die nat geworden zijn verwijderen en laten drogen en, indien dit geen gevolgen heeft gehad voor de vormvastheid en drukvastheid, opnieuw verwerken.

02. De isolatieplaten aanbrengen met gesloten naden in zogenoemd halfsteensverband. De isolatieplaten moeten dragend zijn opgelegd en in de kimmen goed aansluiten. Passtukken kleiner dan 300 mm mogen uitsluitend in de middenzone worden verwerkt. Zowel isolatieplaten als passtukken moeten voorzien worden van een hulpbevestiger.

03. Het isolatiemateriaal dient zodanig verspreid op het werk te zijn opgeslagen dat wordt beantwoord aan de gestelde eisen ter beperking van brandoverslag respectievelijk ter vereenvoudiging van brandbestrijding. (ref. 1, 2 en 3).

04. Dakdoorbrekingen moeten bij thermisch geïsoleerde daken brandveilig worden ontworpen conform de aanwijzingen in hoofdstuk 7.1.4.

05. De isolatieplaten moeten op geprofileerd stalen dakplaten dragend worden opgelegd. Indien de platen niet dragend zijn aangebracht, is dit uitsluitend acceptabel, indien de relatie tussen de dikte van het isolatiemateriaal en de uitkraging de waarden, zoals vermeld in het KOMO®-attest-met-productcertificaat en/of 6.7.3 – 05, niet overschrijdt.

06. De legrichting van isolatieplaten op geprofileerd stalen dakplaten moet haaks op de cannelurerichting zijn.

Bevestigingsmethoden

Losgelegd

De isolatieplaten los op de onderconstructie leggen en dusdanige maatregelen treffen, dat onderling verschuiven en/of opwaaien tijdens de uitvoering uitgesloten is. Bij een zogenoemd omgekeerd-dak is om opdrijven van het XPS-schuim te voorkomen een minimum gewicht van de ballastlaag nodig uitgaande van de dikte van het isolatiemateriaal. Als vuistregel kan worden gehanteerd dat de dikte van de ballastlaag van grind minimaal gelijk moet zijn aan de helft van de dikte van het geëxtrudeerd polystyreen met een minimum van 50 mm.

Partieel kleven met warme bitumen

Het bitumen op een gesloten onderconstructie partieel gekleefd (geslingerd) aanbrengen volgens de gietmethode. De isolatieplaten in de warme bitumen vlijen. De volgende eisen worden aan de onderconstructie gesteld.

– Vlakheid: over een afstand van 1.00 m tussen onderkant rei en ondergrond geen grotere
afstand dan 5 mm.
– Hoedanigheid: stof- en vetvrij en vrij van cementsluier.
– Vochtgehalte: winddroog tenzij de invloed van het vochtgehalte op de sterkte van de
verbinding bekend is.
– Verbruik: de hoeveelheid bitumen moet worden ontleend aan windweerstandproeven volgens
NEN 6707 uitgevoerd op de te verkleven combinatie van thermische isolatie (inclusief
cachering) en onderconstructie (inclusief eventuele coatinglagen).

Volledig kleven met warme bitumen

Het bitumen op de onderconstructie of ondergrond aanbrengen door middel van de gietmethode en in de warme bitumenlaag de isolatieplaat (CG, EPB, MWR, PIR, PUR) vlijen. De eisen die aan de ondergrond worden gesteld zijn gelijk aan die, welke genoemd zijn bij het
partieel kleven.

Volledig kleven met koude bitumen kleefstof

De koude bitumen kleefstof op de onderconstructie aanbrengen en met een getande wisser uitstrijken. In de uitgestreken kleefmassa de CG-isolatietegels vlijen.

Partieel kleven met koude kleefstof

De koude bitumen kleefstof streepsgewijs op de onderconstructie aanbrengen. In deze kleefstof de CG-isolatieplaten vlijen.

Mechanisch bevestigen

De isolatie (EPB, MWR, EPS, PUR, PIR) volgens een gelijkmatige verdeling mechanisch bevestigen met boor/-plaatschroeven en stalen of kunststof drukverdeelplaten. (Bij MWR met zogenoemde tule bevestigers).

Brandveiligheidsaspecten

like

Volg ons op facebook

background: rgba(255, 255, 255, 0.73);