2.3.1 Onderhoud en renovatie | Thermische renovatie

2.3.1 Onderhoud en renovatie | Thermische renovatie

01. Het bestaande bitumen dakbedekkingssysteem grondig schoonmaken met stalen bezems
en waar nodig droog maken. Al het afkomende vuil afvoeren.

02. Gebreken in de bitumen dakbedekking zoals scheuren, blazen, plooien en dergelijke behandelen.
− scheuren repareren;
− blazen pellen, egaliseren en repareren;
− plooien hoger dan 5 mm wegsnijden, egaliseren en repareren.

Alle reparaties brandveilig uitvoeren met stroken gesneden uit een APP- of SBS-dakbaan van ruime afmetingen en volledig kleven. In geval van scheuren, expansiestroken (losse
stroken) toepassen.

03. In geval van gekleefde bitumen dakbedekkingsconstructies, thermische isolatiematerialen en dakbedekkingssystemen, het bestaande dakbedekkingssysteem, daaronder begrepen
opstanden en dergelijke voorsmeren met bitumen emulsie. Dit geldt niet voor bestaande onafgewerkte APP-dakbanen en ook niet voor het kleven van thermische isolatiematerialen met synthetische lijmen.

04. De vrijkomende onderconstructie controleren op afschot, vlakheid, gaafheid en geschiktheid, waar nodig repareren en onjuist afschot corrigeren.

05. Het horizontale gedeelte van de dakrandafwerkingen, inclusief daktrimmen, afdekkappen o.d. slopen en afvoeren.

06. Insnijdingen maken voor controleren samenstelling, conditie en eventueel controle windweerstand van de bestaande dakbedekkingsconstructie.

07. Dakranden controleren op samenhang, sterkte, geschiktheid en winddichtheid en zonodig repareren. De dakranden zodanig verhogen met een geconserveerde houten regel, dat de
opstandhoogte, gerekend vanaf de bovenzijde van het nieuw aan te brengen dakbedekkingssysteem minimaal 120 mm bedraagt (bij een omgekeerd dak geldt als watervoerende
laag de bovenkant isolatie, bij begroeide daken bovenkant substraatlaag).

08. Lichtkoepels, ventilatoren en dergelijke demonteren en voor hergebruik tijdelijk opslaan. De opstanden hiervan controleren op samenhang, sterkte en geschiktheid en zonodig
repareren. De opstanden zodanig verhogen (bijvoorbeeld met een geconserveerde houten regel) dat de opstandhoogte, gerekend vanaf de bovenzijde van het nieuw aan te brengen
dakbedekkingssysteem minimaal 120 mm bedraagt (bij een omgekeerd dak geldt als watervoerende laag de bovenkant isolatie, bij begroeide daken bovenkant substraatlaag) en
dat er geen lekkage door wateroverloop in het gebouw kan ontstaan. Deze houten regel aan de onderconstructie bevestigen met daartoe geschikte en geconserveerde bevestigingsmiddelen.

09. In geval van loodrenovatiewerk zijn er afhankelijk van de conditie van het lood drie herstelmethodes

Herstelmethode A - Plaatselijk herstel van het lood


Uitsluitend geschikt bij voetlood dat goed in de spouw is aangebracht en nog in goede staat verkeert. Het lood vertoont plaatselijk wel scheurvorming en is te breed.

Werkwijze:
a. Het vrijhangende gedeelte van het lood moet circa 80 mm bedragen. Het lood moet minimaal 30 mm vrijhangen boven het watervoerende niveau.

b. Bij scheurvorming de lintvoeg waarin zich het lood bevindt over een breedte van 200 mm en 20 mm diep uithakken zonder het lood te beschadigen.

c. Aan de bovenzijde van het oude lood, circa 10 mm hoger dan de aanzet van de scheur (dus in de voeg), een strookje lood van circa 150 mm breed solderen. Dit loodstrookje om de onderzijde van het oude lood vouwen. De lintvoeg opnieuw aanvoegen met voegmortel, nadat deze voeg eerst is gereinigd en aangebrand.

Herstelmethode B - Oppervlakteverbetering van het voetlood

Uitsluitend voor voetlood dat goed in de spouw is aangebracht maar verder in slechte staat verkeert.

Werkwijze:

a. Het voetlood ontdoen van vuil en andere ongerechtigheden en inkorten tot 80 mm buiten het metselwerk. Het lood moet minimaal 30 mm vrijhangen boven het watervoerende
niveau. Bij scheuren de lintvoeg ter plaatse 20 mm diep uithakken.

b. Het lood reinigen, patinalaag verwijderen en behandelen met een primerlaag voor een polyesterhars- of PMMA-systeem (circa 0,5 kg.m-2 ).

c. Over het volledige oppervlak een polyesterhars- of PMMA-systeem aanbrengen in een dikte van circa 1,5 kg.m-2 .

d. In deze "natte" massa een polyesterdrager strijken.

e. Op deze polyesterdrager een polyesterhars- of PMMA-systeem van circa 1,5 kg.m-2 aanbrengen. Deze deklaag zodanig aanbrengen dat de polyesterdrager volledig is ingebed en
aan boven- en onderzijde goed is afgesloten.

f. Waar nodig de lintvoeg opnieuw aanvoegen met voegmortel, nadat deze voeg eerst is gereinigd en aangebrand.

Herstelmethode C - Vervanging van het lood

Noodzakelijk als het voetlood in de spouw niet waterdicht is of ontbreekt en het buitenspouwblad een zware vochtbelasting kent (bijvoorbeeld: gevel op het zuiden of zuidwesten).
Werkwijze:

a. Het buitenblad van het metselwerk minimaal drie lagen boven de bestaande loodslabben openbreken in beperkte stukken dan wel stabiliseren met een zogenoemde gevelklem, het
oude lood verwijderen en nieuw voetlood aanbrengen.

b. De nieuwe loodslabben, minimaal één laag hoger aanbrengen dan bestaand opgezet en bevestigd tegen het binnenblad (met knelstrip) en ondersteund ter voorkoming van doorhangen.

Aanwijzingen voetlood:
− kwaliteit code 20;
− maximale lengte 1 m;
− overlappen minimaal 80 mm, het niet uitstekende gedeelte solderen, felsen of een zogenoemde haakverbinding toepassen;

Herstelmethode C

− het vrijhangende gedeelte moet circa 80 mm bedragen, in ieder geval mag de breedte nooit meer zijn dan de opstandhoogte minus 30 mm.

c. Het metselwerk opnieuw aanhelen met open stootvoegen boven het lood h.o.h. circa 1 m.
Reactie plaatsen