Blijf op de hoogte
Direct Toegang
X
Blijf op de hoogte
50% Complete
Blijf op de hoogte!

Page content

4.5 Hoe leg je een natuurdak aan? | Stap 5: Voor insecten en vogels

4.5 Hoe leg je een natuurdak aan? | Stap 5: Voor insecten en vogels

Na het vaststellen van de doelsoort(en) voor je dak is het belangrijk om meer te weten welke eisen deze soort stelt aan het dak en zijn omgeving. Omdat er zoveel verschillende soorten vogels, insecten en andere dieren zijn, is het onmogelijk om ze allemaal per soort te benoemen. We beschrijven daarom wat ze nodig hebben, ofwel de drie V’s die voor vogels, insecten en andere dieren het belangrijkst zijn: Voedsel (hele jaar), Voortplantingsmogelijkheden en Veilige plekken om te schuilen en overwinteren. Deze functies kunnen overigens allen op één dak aanwezig zijn, maar dat hoeft niet. Het kan ook een verspreid netwerk over meerdere daken of plekken op de grond zijn die dicht bij elkaar liggen.

TIP: Kies inheemse bomen en heesterachtigen, planten die van nature voorkomen in Nederland, omdat daar veel meer insectensoorten op voorkomen dan op uitheemse bomen en heesterachtigen. De uitheemse plataan herbergt bijvoorbeeld ongeveer drie insectensoorten, terwijl in een inheemse eik wel 700 soorten insecten kunnen voorkomen!

4.5.1 Bijen

Bijen zijn onmisbare bestuivers voor zowel in de natuur voorkomende planten, maar ook in de tuinbouw en fruitteelt. Met bijen bedoelen we hommels, honingbijen maar vooral wilde bijen. Hommels en honingbijen leven in een kolonie. Wilde bijen leven alleen en worden daarom ook wel solitaire bijen genoemd.

TIP: Kijk op de site van de bijenstichting voor meer informatie over deze nuttige dieren. Gebruik de checklist bij-vriendelijk dak voor meer tips.

Voedsel: Alle bijensoorten leven van stuifmeel en nectar. Het is van levensbelang dat ze het gehele jaar door voedsel kunnen vinden. Volwassen bijen bezoeken bloemen om nectar (zoetige stof) te eten. Tijdens het bloembezoek komen ze in aanraking met stuifmeel (pollen). De stuifmeelkorrels blijven aan de haartjes kleven. Bij het bezoek aan de volgende bloem komen de stuifmeelkorrels op de stamper van die bloem, dit is de bestuiving. Bijen bezoeken tijdens hun zoektocht naar voedsel tot wel honderden bloemen per dag. Het zijn daarom niet voor niets excellente bestuivers.

Metselbijen zijn wilde bijen die zich voeden met stuifmeel en nectar van bloemen. Deze bijen kunnen niet steken. Je kunt dus met een gerust hart een insectenhotel plaatsen. Ze foerageren vanuit het nest en zoeken hun voedsel vaak niet verder dan 500 meter van hun nest. Het is daarom belangrijk dat er voldoende voedsel in de directe omgeving te vinden is.

Honingbijen overwinteren als kolonie en teren dan op hun wintervoorraad (honing). Bij hommels overwintert alleen de koningin. Wilde bijen hebben de kortste levensduur: hun leven duurt maar een paar weken. In die paar weken bouwen ze een nestje, leggen daar een eitje in en zorgen dat de nakomeling voldoende voedsel heeft totdat het een jaar later uitloopt. Voor wilde bijen is het daarom erg belangrijk dat, in de korte tijd die zij leven, voldoende stuifmeel en nectar aanwezig is. In het hoofdstuk Bloemen en planten en in de top 25 dakplanten lees je welke planten veel nectar en stuifmeel geven en geschikt zijn voor op een natuurdak.

Zweefvliegen zijn er in vele soorten en maten. Soms lijken zweefvliegen op wespen, hommels of bijen. Zo worden ze niet zo snel lastig gevallen door natuurlijke vijanden. Het zijn vliegen die bijna uitsluitend van nectar en stuifmeel leven en daarom ook belangrijke bestuivers. De larven van zweefvliegsoorten zijn echte opruimers. Ze eten bladluizen, landafval of waterafval.

TIP: Trek met je plantkeuze ook zweefvliegen aan. Het zijn nuttige bestuivers en de larven zijn natuurlijke bestrijders van bladluizen en ruimen landafval of waterafval op.

Voortplanting: Bij-achtigen maken verschillende soorten nesten. Iedere soort kent haar eigen methode.

Hommels kunnen (mede dankzij hun dikke beharing) zelfs op koude dagen (2°C) buiten vliegen, op zoek naar nectar en stuifmeel. In het vroege voorjaar gaat de hommelkoningin op zoek naar voedsel. Daarna zoekt ze een geschikte plek voor een nieuw nest. Er zijn maar een paar hommelsoorten die vaker hetzelfde nest gebruiken.

TIP: Help bijen met windluwe plekjes om op te warmen: een stenen muurtje, dood hout of insectenhotel.

Wilde bijen gebruiken, afhankelijk van de soort, verschillende nestplaatsen. Er zijn wilde bijen die leven in holle stengels. Andere soorten maken een holletje in het zand. En weer andere soorten bouwen zelf een broedcelletje van leem en hars. Je kunt wilde bijen helpen door bijen-voorzieningen op het natuurdak te plaatsen.

Veilige schuilplek: Bij regen of lage temperaturen blijven de bijen veilig verscholen. Ze kruipen dan tussen takkenrillen, zoeken beschutting onder grote bladeren, een afdakje of kruipen in een holletje in het zand.

TIP: Maak een bijenkroeg door een waterelement te plaatsen.

4.5.2 Vlinders

Er zijn veel soorten vlinders in Nederland met ieder hun eigen leefwijze. Op het natuurdak kunnen vlinders Voedsel zoeken, schuilen, overwinteren en zich Voortplanten.

Voedsel: Wat een vlinder aan voedsel nodig heeft, is afhankelijk van het stadium waarin de vlinder zich bevindt. Als de vlinder een rups is, eet zij voornamelijk bladgroen. Rupsen zijn kieskeurige eters, die vaak maar één soort plant lusten. Dit wordt ook wel de waardplant genoemd. Elke vlindersoort heeft zo zijn eigen voorkeur voor een waardplant. Soms worden daarbij hele struiken kaal gegeten.

Volwassen vlinders leven van nectar. Eenmaal verpopt tot vlinder, zijn Atalanta’s en Dagpauwogen bijvoorbeeld dol op rottend fruit. In het najaar zijn ze vaak te vinden in boomgaarden. Op een natuurdak is het een optie om voor deze soorten een fruitboom of bramenstruik te planten.

TIP: Help vlinders met nectar- en waardplanten op je natuurdak, zoals lavendel, brandnetel, klimop, vlinderstruik, sleedoorn of meidoorn.

Voortplanting: Tijdens haar leven legt een vlindervrouwtje zoveel mogelijk eitjes. Ze kiezen hier voor zorgvuldig een plek uit: vlinders leggen hun eitjes alleen op de planten waar de rups van eet: de waardplanten. Zo heeft iedere vlindersoort zijn eigen specifieke waardplant(en). Een boomblauwtje heeft bijvoorbeeld meerdere waardplanten zoals kattenstaart, klimop, hulst en struikheide, terwijl de dagpauwoog uitsluitend brandnetel gebruikt.

TIP: Lees meer over de leefgebieden van inheemse vlinders en hun leefwijze op de site van de Vlinderstichting.

Vlindervrouwtjes verkennen de omgeving om in te schatten of de rupsen kunnen overleven. Als een rups of pop nog moet overwinteren moet er in de nabijheid van de waardplanten voldoende beschutting zijn. Een oranjetipje heeft bijvoorbeeld ruigte nodig voor de overwintering, terwijl de waardplant pinksterbloem in het grasland staat.

TIP: Open plekjes en reliëf geven een gevarieerd microklimaat waar insecten van afhankelijk zijn. Zorg voor afwisseling van plantensoorten en variatie in structuur.

Veilige schuilplek: Vlinders hebben beschutte plekken nodig om zich op te warmen. Vlinders kunnen zichzelf niet warm houden en hebben zonnewarmte nodig om te kunnen vliegen. Daarom zitten ze graag in de zon en uit de wind. Daar kunnen ze zonnen voordat ze weer verder vliegen. Ze houden daarom van struiken, heggen, houtwallen en bosranden. Dit zogenaamde micro-klimaat kun je op het natuurdak ook realiseren door afwisseling in structuur te creëren. Denk hierbij aan open plekken en wat dichtere begroeiing of een kleine takkenril.

Als het in september en oktober weer kouder wordt gaan vlinders in winterrust. Sommige soorten doen dat als vlinder, andere als pop, rups of eitje. Vlinders verschuilen zich dan bijvoorbeeld tussen snoeihout of dode plantenresten om te overwinteren, maar dit kan ook een ingang in het gebouw zijn. Net als bij bijen en hommels hangt dit van de soort af. Eitjes kunnen in een holle stengel worden gelegd, en poppen kunnen zelfs gewoon los op de bodem liggen.

TIP: Help vlinders met een plek om te overwinteren. Dat kan in de bodem (goede substraatdiepte en samenstelling), een strooisellaag of een ingang in het gebouw (geen verwarmde omgeving)

4.5.3 Andere insecten en kleine dieren

Wespen

Hier denk je vast meteen aan de geel-zwarte terrasterrorist, maar er zijn ook andere, meer vriendelijke wespensoorten. Er zijn allerlei soorten solitair levende wespen zoals de graafwesp. Je hebt van deze wespen geen last, omdat ze niet op etenswaren en zoetigheid afkomen en ze steken ook niet.

Wespen zijn net als bijen belangrijke bestuivers van bloemen en planten en daarmee belangrijk in het ecosysteem. Ook zijn wespen zeer nuttige opruimers. Graafwespen houden van holle takken, maar graven ook graag zelf holtes.

Andere soorten leven in kolonies waarbij de wespenkoningin eitjes legt in het nest. De werksters verzorgen het nest en halen voedsel voor de jonge wespen. Jonge wespen hebben eiwitrijk voedsel nodig. Ze worden gevoed met dode insecten. Sommige wespensoorten zijn actief op zoek naar prooien die wij als schadelijke insecten beschouwen, zoals luizen. Wespen zijn daarom ook uitstekende plaagdierbestrijders.

Libellen en juffers

Libellen leven het grootste deel van hun leven onder water, als ze nog een larf zijn. Ze eten dan andere waterbeestjes, maar kunnen zelf ook een prooi zijn. Pas in het laatste stadium van hun leven, als ze volwassen zijn en vleugels hebben, leven ze op het land en in de lucht. In deze fase planten ze zich voort en zorgen ze voor verspreiding van de soort.

Wie een tuin heeft, ook zonder vijver, ziet wel eens een libel voorbij vliegen. Het zijn echte rovers die allerlei kleine en meestal vliegende insecten vangen: muggen, vliegjes, motjes, enzovoorts. Soms vangen ze ook grotere insecten, zoals vlinders of een andere libel.

Volwassen libellen leven op het land vooral in beschutte gebieden zoals in bosranden, houtwallen en ruige graslanden. Deze plaatsen worden gebruikt om te jagen op andere insecten, te overnachten en te schuilen bij slecht weer. Na een aantal weken zijn de libellen geslachtsrijp en gaan ze weer naar het water om zich voort te planten. Het vrouwtje zet haar eitjes af in of vlakbij water. Hier zijn vaak ook muggenlarven aanwezig die weer als voedsel dienen voor libellen (en kevers).

Kevers, mieren en spinnen Natuurlijk hebben we ook oog voor de andere insecten zoals kevers en mieren, en andere kleine dieren zoals spinnen. Sterker nog: hoe meer variatie er op het natuurdak aanwezig is, hoe meer soorten er zullen leven. En met de voorzieningen voor bijen, vlinders en vogels zijn deze kleine dieren óók geholpen. Ze liften als het ware mee op het succes van andere soorten.

Andere kleine dieren zoals loopkevers, spinnen en nachtvlinders zijn voorbeelden van soorten die ook profiteren van de maatregelen die genomen worden voor de eerder beschreven soortgroepen. Ook deze soorten kunnen hierdoor voedsel vinden, zich op het natuurdak voortplanten en de veiligheid vinden die ze nodig hebben.

Bodemdieren

Het leven in de bodem is erg belangrijk. Zonder bodemdieren geen gezonde bodem! Miljoenpoten, loopkevers of regenwormen: zij zorgen heel goed voor onze tuinen. Ook het microscopisch kleine bodemleven zoals bodemschimmels is onmisbaar. Afval zoals herfstbladeren wordt bijvoorbeeld opgeruimd en weer verwerkt tot voedsel voor de planten. Een dak, zonder directe verbinding met de vaste bodem op maaiveld, is een kunstmatige omgeving waar bodemdieren zich nauwelijks of slechts door toeval zullen vestigen. Wanneer bij het (dak- en gebouw)ontwerp rekening wordt gehouden met de verspreiding en verbinding voor bodemdieren, profiteren de planten en andere dieren op het dak hiervan. Wanneer dit wordt gecombineerd met aanvullingen van lokaal aanwezig bodemmateriaal worden de mogelijkheden voor het bodemleven nog eens versterkt. Een mooie en uitdagende ontwerpopgave!

4.5.4 Vogels

Een stedelijke omgeving met gevarieerd groen is rijk aan vogels. In het broedseizoen zijn sommige soorten hier zelfs talrijker dan buiten de stad. Ook na het broedseizoen heeft de stad veel te bieden. Soorten die normaal gesproken in het warme zuiden overwinteren, vinden in stedelijk gebied voldoende beschutting en voedsel om te verblijven. Andere soorten zoeken juist de graslanden op.

Natuurdaken bieden van alles aan vogels: voedsel, nestgelegenheid en een veilig toevluchtsoord. Roofdieren en verkeer zijn immers niet of veel minder aanwezig. De waarde als leefgebied voor vogels varieert per seizoen en hangt mede af van de begroeiing. Bovendien hebben vogelsoorten zo hun eigen voorkeur. Over het algemeen is een groot dak met variabele substraatdiepte en hogere begroeiing (bomen en struiken) voor vogels het meest aantrekkelijk.

Voedsel: Verschillende vogels eten divers voedsel. Zo heb je soorten die vooral zaden eten, maar ook soorten die voornamelijk insecten eten. Een natuurdak kan met een juiste keuze van planten en losse elementen voor vele soorten vogels voedsel leveren.

Voortplanting: Het stedelijk landschap is vooral een grote verzameling straat- en gevelstenen, met hier en daar groen en water. Dat lijkt op het eerste gezicht niet de meest ideale plek voor vogels, maar toch zijn er vogelsoorten die zich hier bijzonder goed thuis voelen. Een soort als de gierzwaluw, die van nature nestelt in rotsachtige gebieden, ziet gebouwen als een rotsachtig landschap en zoekt daarin spleten en kieren om te nestelen. Ook andere soorten profiteren van de nestplaatsen die gebouwen bieden. Onder dakpannen bijvoorbeeld, maar ook op richels en in spleten. Broedende vogels bieden een meerwaarde voor de omgeving.

De manier waarop wij bouwen, is enorm veranderd. En dat merken de vogels. De bouw wordt steeds efficiënter, gevels en daken bieden steeds minder verrassende holtes of andere plekjes die als nestplaatsen kunnen dienen. Met groen op het dak, maar ook een andere kijk op andere bouwdelen, kunnen we dus meer rekening houden met vogels in de stad.

TIP: Help vogels met openingen, holtes, overstekken en nestkasten voor geschikte nestgelegenheid.

Veilige schuilplek: Vogels kunnen tussen de beplanting op het natuurdak beschutting vinden. Ook hier geldt weer dat elke vogelsoort andere behoeften kent. Zo zoekt de ene vogel beschutting tussen takken en bladeren van bomen en struiken. Een andere soort kiest een takkenril uit. Een groot voordeel van een natuurdak is (meestal) dat de vogels beschermd zijn tegen predatoren zoals katten waar ze op maaiveld wel last van hebben.

Tips per vogelsoort

Merel en pimpelmees zijn veelzijdige soorten en snel te verleiden met kleine stukjes groen. Natuurdaken zijn voor deze soorten dus ideaal!

Roodborst is gebaat bij aanleg van hagen, liefst met stekels en besdragend zoals een meidoorn. Hij bouwt zijn nest op of vlak boven de grond, in een boom of dichte klimplant. De roodborst zoekt het voedsel hoofdzakelijk op de grond. Ze is daarom aangewezen op rustige ontoegankelijke groenelementen in de stad. Een dak is daarom ideaal.

Scholeksters, visdieven en kleine plevieren broeden graag op grinddaken. Broedgebieden zijn gebaat bij een goede bescherming tegen verstoring en predatoren. Een dak is hiervoor zeer geschikt. Scholeksters maken van nature een kuiltje met wat grind als nest.

Visdieven broeden van nature in kolonies op zandige of braakliggende terreinen bij het water. Dit kunnen terreinen zijn zoals een zandbank, kiezelstrand of schelpenstrand. Maar ook oevers van grote rivieren of opgespoten terreinen. De kleine plevier is een pionierssoort die van nature braakliggende terreinen zoals afgravingen, grindgaten en bouwplaatsen gebruikt om te broeden.

TIP: Kijk op de website van de vogelbescherming voor meer informatie over voedsel, voortplanting en veiligheid voor vogels.

Slechtvalken nestelen van nature op (smalle) (rots)richels. Mede dankzij nestkasten op hoge gebouwen gaat het beter met ze in Nederland. Een nestkast hoeft niet diep te zijn. Het ontwerp op maat vereist de nodige kennis. Allesbepalend is de beschikbare plek, hoog op een bouwwerk. Als er slechtvalken in een gebied aanwezig zijn, wijzen ze vaak zelf waar zij hun nest willen. Ze zijn erg kieskeurig. Als de nestkast niet goed is of niet goed is geplaatst, zal hij niet gebruikt worden. Ze hebben een open gebied nodig en een vrije aanvliegroute naar hun nest.

Territorium: Slechtvalken hebben een groter territorium dan bijvoorbeeld de pimpelmees, als er in de buurt dus al een slechtvalk een territorium heeft dan heeft het geen zin om je natuurdak in te richten voor broedende slechtvalken. Een ander broedkoppel wordt niet zo dicht op hun nest geaccepteerd. Ook andere soorten vogels zullen niet geaccepteerd worden binnen het territorium van de slechtvalk. Meer informatie is bij lokale werkgroepen op te vragen.

Volgende pagina: 4.6 Stap 6: Extra voorzieningen

Bron: Green Deal Groene Daken

    like

    Volg ons op facebook